UITLEG VERWERKING ISOLATIEPLATEN

Isolatieplaten dienen altijd aan de buitenzijde van het dak geplaatst te worden. Als de isolatie aan de onderzijde wordt toegepast (onder of tussen de balklaag) kan daardoor een condensatieprobleem ontstaan.

Voordat de isolatie op het dak wordt aangebracht is het aan te bevelen om onder de isolatie een dampremmende laag aan te brengen. Bitumen dakrollen hebben een hoge damdiffusie weerstand maar PE folie ook. Bij toepassing van isolatie adviseren wij altijd de toepassing van een dampremmende laag. (zie rubriek dampremmende lagen)

De isolatie dient goed sluitend te worden aangebracht om isolatielekken te voorkomen. Voor woningbouw is de isolatie waarde norm een Rw van 2,5 m2K/W.

 

Voor het bereiken van deze isolatienorm kunt u de volgende dikten aanhouden:

 

Bij EPS isolatie is dat een dikte van 100 mm

Bij PIR isolatie is dat een dikte van 60 mm.

 

Een en ander is afhankelijk van het soort bevestiger, maar deze waarden kunt u ongeveer aanhouden.

 

Voor welke isolatie kan gekozen worden.

 

EPS isolatie is polystyreen. Het is een harde plaat met aan de bovenzijde een laag gebitumineerde glasvlies. Het glasvlies zit erop om inbranden te voorkomen.

 

PIR isolatie is een polyisocarbonaat. Het is een harde plaat met een goede brandwerende eigenschap en een hogere isolatiewaarde.

 

Werkwijze.

 

Bij het begin wordt de eerste plaat in tweeën gesneden zodat er verspringende naden ontstaan tussen de platen. De platen worden losliggend en goed aaneengesloten aangebracht. Bij een mechanisch bevestigd daksysteem moeten PIR platen met 4 dakschroeven en volgringen aan de ondergrond bevestigd worden. Steenwol en EPS platen kunnen met een dakboorschroef per plaat worden vastgezet om verschuiven van de platen re voorkomen, daarna worden de platen samen met de eerste laag mechanisch bevestigd. Het minimale aantal bevestigers dient 5 stuks per m² te zijn.